Zij daar

Ze zit achterovergeleund, maar gespannen, als een biddende cobra. Hij kent haar langer dan vandaag, zijn angst zit in zijn vezels. Vooral geen onverhoedse bewegingen. Hij beweert niets, hij oppert hoogstens. Als hij naar de wc gaat trekt hij zich langzaam terug, zonder haar uit het oog te verliezen. Zij vraagt de rekening. Zevenenvijftig half, zegt de ober. Zestig, zegt ze, en ze pint. Als hij terugkomt, houdt ze haar hand op. Hij legt er biljetten in. Tien, twintig, dertig. Niet genoeg, knikt ze. Veertig. Ze telt het geld, vinnig, en kijkt alsof ze belazerd wordt.