Wo

Door de steeg kwam een eenbenige vrouw aangekrukt. Ze was klein, verschrompeld, haar gebit tandeloos. Ow, zei ze, ow. Geen kreun of klacht, meer een ademtocht. Voor het café boog ze zich over de asbak. Wil je een sigaret, vroeg ik. Ze ze niets terug, richtte zich langzaam weer op. In haar mond stak een vrijwel complete sigaar. Die had daar inderdaad vanaf het begin van de middag gelegen. Ze schuifelde verder. Wo, zei ze nu, zachtjes nog steeds. Wo, wo.