Dubstep

Ik ga naar de winkel om de hiphopplaat te kopen. Het is niet echt hiphop, heeft G. gezegd, er zit ook dubstep in. Ik neem zijn opmerking mee. Ik heb pech, het laatste exemplaar is net verkocht. Jammer, zeg ik tegen de verkoper, ik luister nooit hiphop, maar dit is heel vet. Is het eigenlijk wel echt hiphop? De verkoper zegt dat het niet meer hiphop wordt dan dit. Ik wil over dubstep beginnen, maar ik bedenk dat ik niet weet wat dat is.

Idylle

Ik bemachtigde het laatste krukje en keek naar de meisjes die het koffiezaakje bestierden. Zacht zoemden ze rond tussen jarentwintigparafernalia en pasteltinten. Ze hadden grote bruine ogen en verleidelijke lippen en onzichtbare tere vleugeltjes. Ze brachten broodpudding, mille-feuille, courgetteclafoutis, worteltaart. Mijn krukje was wankel en stond met slechts drie poten op een traptrede, als om me eraan te herinneren dat ik eigenlijk niet in deze lusthof mocht zijn. Een van de meisjes liet een vers geglaceerde taart bijna van haar vingertoppen glijden. Ik zag haar gezicht verschieten van ontzetting naar diepe dankbaarheid. De idylle was gered.

This guy

Ze kenden elkaar nog maar net, de Deense en de Nederlandse, maar het was vuurwerk. De grofste grappen en de schunnigste verhalen. Ik heb in weken niet zo’n lol gehad hier in de bar, zei ik. That’s depressing, zei de Deense. Na het sluiten liet ik ze blijven. Ik dronk mee, lachte mee, probeerde een grap. De Nederlandse wilde meer dan vriendschap, de Deense liet zich meevoeren door de drank. Hoe zouden ze later vertellen dat ze elkaar hadden ontmoet? Ze verloren zich gierend in een toneelstuk en daarna in steeds minder vluchtige kussen. De Deense keek opzij en zei: I wonder what this guy is thinking.

Balzac

Op een bankje op de hoek van de Keizersgracht en de Leliegracht, zaterdagmiddag om een uur of vier, dacht ik: hierover zou je evengoed een Comédie humaine kunnen schrijven, Balzacs wonderweefsel van drieduizend personages in bijna honderd romans, maar dan binnenstebuiten gekeerd, geen uitwaaierend epos maar juist een minutieuze verkenning van een enkele plek en zijn mensen, van het in hun plattegrond verloren Duitse stelletje tot de man in de overall die zich verstapt, van de bijna-botsing tussen de twee fietsers tot de glimlach van dat meisje. Heel het leven leek daar op die hoek te zijn en alles was helder. Niet het kleinste detail ontging me. Over de gracht kwam een politiewagen aanscheuren. Hij stopte vijf meter verderop. Aan de voet van de brug lag een jongen op de grond. Een grote haag mensen stond om hem heen.

Goed

Het slechte is zoveel makkelijker te grijpen dan het goede. Je kunt erop gaan staan, het vertrappen en zeggen: ik ben beter dan dit. Heb je gezien wat ik je stuurde, vraag ik M, geweldig toch? En hij zegt tja, ik weet het niet, dat ene stukje was echt niet zo sterk. Een halve minuut uit bijna een half uur – er was nog zoveel anders moois. Voor de zoveelste keer neem ik me voor om het goede te zien. Ik zal hoog in de lucht wijzen en zeggen: zie je dat daar? Dat vind ik mooi, al heb ik er geen woorden voor en kan ik het niet pakken. Ik lees een boek van een vrouw, tien jaar jonger dan ik. Haar brille overdondert me en maakt me klein. D vraagt wat ik ervan vind. Ik zeg: het is wel een beetje bij elkaar gegoogeld.

‘s Ochtends

Dat gevoel, ‘s ochtends op de fiets, dat je vergeten hebt je broek aan te trekken en dat je naar beneden moet kijken om je ervan te vergewissen dat het zo erg niet is – soms overkomt me precies het omgekeerde, dan verbaast het me zo dat je niet meteen bij het naar buiten gaan iemand tegenkomt die volslagen krankzinnig is geworden dat ik wel even moet denken: het valt misschien allemaal wel mee, het leven is niet het raarste dat ooit gebeurd is en we gaan niet dood om hier nooit meer terug te keren, iedereen weet dat en ik ben gewoon de enige aan wie ze het nog nooit hebben verteld.

Heksen

‘Heksen kunnen wij niet beconcurreren’, stond vroeger op een bord bij een broodjeskraam op de Grote Markt in Groningen, ‘des te beter!’, althans voor mij, student Nederlands, gewend aan stipte interpunctie en een logische regelval. Ik wees mensen op het bord, ze zagen er niets geks aan. In mijn vierde jaar ontdekte ik dat er een komma na ‘niet’ was bedoeld. Ongrijpbare poëzie werd het koopmansproza dat het voor iedereen altijd was geweest. Soms mis ik mijn hoofd van toen dat ruimte liet voor raadsels.

Genius

Er zijn genoeg grote geesten om te benijden, boeken, kasten vol, die ik had willen schrijven, ontelbare deuntjes in mijn hoofd die daar zonder uitzondering door anderen zijn geplant, maar evenzeer bewonder ik de genius die op een stoplicht op de Weteringschans met een slangenklem een half stuur had bevestigd, belangenloos, zonder zijn naam erbij, en als ik er comfortabel op leunde, mijn voeten op de trappers, klaar om weer te accelereren, stelde ik me graag voor dat hij of zij achter me stond en toekeek, tevreden, misschien zelfs een beetje trots.

Zeedijk

G. belt en vraagt hoe het gaat. Oké, zeg ik, z’n ups en downs, maar vannacht heeft D. hier geslapen dus nu gaat het goed. Wie is D., vraagt hij, is dat die dame van de Zeedijk? Ik schrik. Heb ik dingen gedaan die iedereen weet en die ik ben vergeten? Door het oude schipperskwartier geschuimd, geprofaneerd, mijn geld verbrast? Liederlijke Gouden Eeuw-taferelen, schaamteloosheid, schande. Dan schiet ze me weer te binnen, A. Enige tijd was ik nogal gecharmeerd van haar. Nabij de Zeedijk werkt ze in een kroegje. Ze is geen prostituee.

Duim

Veel verwachtte ik niet van het bandje met zijn bedenkelijke livereputatie. Door omstandigheden was ik alleen. Ik worstelde me door het vreselijke halfuur na het voorprogramma, de lachende gezichten om me heen werden grimassen, ik walgde van de mensen en wilde weg. Toen kwam de band op, met een karatetrap leek het wel, rook en blauw licht, zes man sterk en een koortje katachtigen in glitterjurkjes, de zanger een androgyn slangenmens. Ergens tussen Bowie en de Rocky Horror Picture Show zweefde ik een uur lang op geluk en snel weggeveegde tranen. Na de slotakkoorden draaide de man voor me zich om, ik had hem nauwelijks opgemerkt. Geweldig! riep ik. Hij monsterde misprijzend mijn vreugde, hief zijn arm omhoog en stak krachtig zijn duim omlaag, als een gramstorige keizer.

Gambia

Iemand vertelt me dat hij op vakantie gaat naar Gambia, en ik haal de anekdote aan van Cees Nooteboom, die in de jaren zeventig naar het land wilde reizen en van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar hij zich meldde voor een visum, de vraag kreeg: meneer, bedoelt u niet Zambia? Ik vraag me af hoe vaak ik de anekdote al heb verteld, je spreekt in je leven vaker mensen die naar Gambia gaan dan je denkt. Ik las ‘m al lang geleden. Ik weet niet eens meer zeker of hij niet andersom was.

Toorn

De winkel is smal en diep. Halverwege is de kassa en daar staat hij met zijn dikke buik en zijn baard. Iedereen die door de bottelnek wil, doorboort hij met zijn blik. Wie hem niet groet, wijst hij terecht. Hállo! Hij is Charon op een slechte dag. Iemand verlaat de winkel. De deur blijft openstaan. Hij waggelt toornig naar voren. We stoken niet voor de buren!, zegt hij tegen een jongen die grasduint in de eerste bak platen, en hij klapt de deur dicht. De jongen kijkt perplex naar zijn vriendin. I think he just told you to shut the door, zegt ze.

Onrust

Ach, hoe licht en bescheiden is rust. Vaak voel je haar weldaad pas als ze alweer is vervlogen. Onrust doet aan pr, kondigt zich ronkend aan, geeft plaagstoten vanuit de toekomst. Bij de buren verrijst een grote steiger en ik weet: de komende drie weken ben ik om half acht wakker, zo niet eerder. Draagbare radio’s, schuurmachines en verfbranders, tergend Noord-Hollands gejoel. Ik ga vroeg naar bed. Ruim voordat de schilders zich melden word ik wakker van mijn kotsende kat.

Burger

Ik benijd de mensen die altijd het goede bestellen in een restaurant. Het is alsof ze al een keer eerder hebben geleefd en alles weten. In een buitenwijk van Peking prikken ze een gerecht zonder foto op een inlegvelletje van het menu en het is geweldig. Je moet gewoon durven, dacht ik, dus in het burgerrestaurant ging ik voor de Rossini, a new take on the burger. Ik kreeg een zooltje vlees met een likje eendenlever op een hostie. Daarna moest ik alsnog naar de McDonalds. Ik proefde alleen maar zout. Mijn vriend de avontuurlijke eter, die van de Pekingse buitenwijk, keek toe, groggy van de grootste, sappigste klassieke burger die ik ooit gegeten heb zien worden.

Betalen

Ik ben student, zegt hij, ik moet je vragen of we de rekening kunnen delen, en ik denk: nee, jongen, nee, zeg dat toch niet, je weet het nog niet maar dit gebeurt maar een paar keer voor je oud bent en waar hebben we het dan over, wat grijpstuivers op een leven. De volgende dag denk ik aan hem als ik de rekening pak na de eerste date met J., en twee weken later opnieuw, na de tweede. Ik denk aan zijn mooie Française en hoe zijn onhoffelijkheid haar ontstemde, werkelijk, zoiets had ze nog nooit meegemaakt, dat zag je, ze was het van plan geweest maar die avond ging ze zeker niet met hem mee naar huis. Ik denk aan hem als J. na de tweede date appt dat het haar beter lijkt dat we het hierbij laten. Ik denk aan mijn honderd euro, een enorm bedrag ineens.

Haast

Het is twee uur ‘s nachts. Ik sta in de Ferdinand Bolstraat en haal mijn fiets van het slot. Verderop staat een ambulance op de stoep, maar de straat is uitgestorven. Ik hoor voetstappen ploffen, iemand nadert me in de rug. Het is Max, hij schiet me rennend voorbij. Ik roep hem. Hij stopt, we praten, ik zie de drank in zijn ogen en de paniekerige haast van het rennen. Er is toch niets gebeurd? Nee, hij is gewoon op weg naar huis, naar het Roelof Hartplein even verderop. Hij zegt: ik dacht ik kan het lang laten duren, maar ik kan ook even gaan rennen.

Genot

Mooi muziekje, zegt de loodgieter, en ik sta al klaar om te zeggen: dat is Alela Diane, een geweldige Amerikaanse zangeres, maar hij schrijft zijn bon en vraagt niet verder. Ze zeggen dat honden ruiken zoals wij een zwerm vogels voorbij zien trekken, en ik probeer me voor te stellen hoe hij door het leven gaat, als een dier dat kwispelt als het zijn lucht verduisterd ziet maar niet de minste behoefte heeft om genot te doorgronden, zoals je mensen hebt die zeggen: dat was lekker, en in wie het niet opkomt om te vragen naar het recept.

Eiland

Hij zegt ik heb een vraag voor je, welke vijf boeken neem je mee naar een onbewoond eiland? In gedachten kijk ik naar mijn boekenkast, die ik elke dag zie, maar waar nu grote zwarte gaten in vallen. Van de boeken die er niet in staan maar die ik wel heb gelezen borrelen er, heel langzaam, een paar naar boven door de modder van mijn geheugen. Ik sprokkel een handvol titels waaruit ik kan kiezen, of liever schrijvers, windstreken, tijdperken die ik nog nader moet doorspitten, maar nu komen de mitsen en de maren al: Anna Karenina kan op één misschien, zeker als ideaal strandboek, maar is dat echt het allermooiste boek en welke doe ik dan niet allemaal tekort? Moet er als tegenwicht en als weerspiegeling van mijn interesses een stevig nonfictiewerk bij? Laat ik het verzameld werk van Karel van het Reve thuis of doe ik een poging om uit te leggen wie hij is? En waar blijft Nescio? Het is een schier onoplosbare puzzel. Dit is mijn lijstje, zegt hij, en hij noemt vijf titels en zegt: ik moet gaan, ik zie je.

Moeder

Stewart gaat aan de bar zitten. Hij heeft de trekken van Denzel Washington en Jamie Foxx en de spieren van beiden. Er gaat een grote, krachtige rust van hem uit, een zachte lach ligt in zijn ogen. Gretig monstert hij de bieren op de tap, innig tevreden is hij met zijn keus. Hij komt net uit Philadelphia vliegen, een gestolen weekje vakantie, volgende week moet hij voor werk naar Duitsland. Vorige keer heeft hij het ook zo gedaan. Toen is hij de molens in Kinderdijk gaan zien. Er was een boer aan het werk in het weiland en toen hij verder liep zag hij een pauw. Hij bleef staan om foto’s te nemen. Ineens spreidde het dier zijn verentooi helemaal uit, o, echt prachtig, nog meer foto’s, I can’t wait to show this to my mother! Heel even verdwijnt de lach uit zijn ogen. Soms is hij net iets te eerlijk.

Eens

Bij de biercursus proeven we een Kriek Boon. Het is mijn eerste keer. Hij is veel zoeter dan ik me voorstelde. Teun, naast me, zegt precies hetzelfde. Waarom hebben we die eigenlijk niet in het café, vraagt hij. Die hebben we wel, zeg ik. Ik zie de flessen in de koelkast staan. Zeker niet, zegt Teun. Dat is genoeg om me te laten twijfelen. Een klein weddenschapje durf ik al niet meer aan. Ik laat me ook altijd veel te snel omlullen, zeg ik. Ik laat me nooit omlullen, zegt Teun. Nou, dan zijn we eruit, zeg ik. Teun steekt zijn hand uit om het te beklinken.