Te veel

Er wordt te veel geschreven. Boekhandels zijn een mokerslag. Wat heeft het voor zin om nog iets toe te voegen? En dan daar rondlopen en werkelijk niets kunnen vinden dat je boeit. Steeds triester verlangen naar dat ene mooie kleine boekje dat alles zegt en niet bestaat. Weten dat je het zelf niet zal kunnen schrijven. En je afvragen: die homo universalissen van vroeger, wisten die ook alle onzin tot dan toe?

Toeval

Dus ik vertelde dat ik die middag twee meisjes had gezien, de een op de fiets, de ander een kapperszaak verlatend, allebei aan het bellen, en hoe de schrik van een naderend ongeluk in de nauwe steeg was overgegaan in opluchting, en die opluchting weer in hilariteit toen ze elkaar herkenden, natuurlijk, ze waren elkaar aan het bellen, en dat was precies hoe iedereen aan tafel reageerde: natuurlijk, ze waren elkaar aan het bellen, en zo leerde ik dat toeval te weinig is voor een verhaal.

Ina Boudier-Bakker

De vrouw vertelt dat ze op haar werk van de aardige mensen op de boekenredactie alle boeken mag pakken die ze wil. Ik krimp ineen van alle pulp die ze aanprijst, twintig jaar boekenbijlagen zitten me dwars. Haar vriendin is een beter publiek. De schrijvers en titels fladderen haar ongeletterde hoofd binnen zonder ergens te landen. Ken jij, zegt ze op haar beurt, Ina Boudier-Bakker, De klop op de deur? Ha, ja, wil ik zeggen, een damesroman uit 1930. Menno ter Braak besteedde er drie woorden aan: ‘Niet open doen’. Ik wil het ze zeggen, deze vervelende vrouwen die op het agressieve af liever praten dan luisteren, maar wat bereik je daarmee behalve dat je jezelf voor schut zet. En bovendien, ik heb het ook maar net gegoogeld.

Even Rus

Mijn Russisch is karig en onzeker. Tot aan het Baikalmeer kreeg ik de dingen die ik wilde, maar ik herinner me vooral broddelwerk, handen en voeten. Aan het tafeltje naast me hoor ik ineens die prachtige taal. Op het tafeltje ligt een menu. Die zin kan ik maken, bedenk ik. Ik richt me tot de vrouw die het dichtst bij me zit. Alstublieft, zegt ze, en ze geeft me het menu dat ik niet nodig heb. Gretig verdiep ik me erin. Ik voel hoe ze me nog even opneemt. Mijn hart bonst. Laat haar niet nog iets zeggen of vragen nu.

Zeer discreet

Hij zit buiten op een bankje. Hij kan het café niet in, zegt hij, want z’n ex zit aan de bar, en ze hebben afgesproken om elkaar een jaar niet te zien. Het is meer zijn kroeg dan de hare, maar zij was eerst, dus mag zij blijven zitten, dat is de deal. Binnen bestelt zij twee biertjes. Haar vriendin is even naar de wc. Ik had net zoiets geks, zegt ze. Ha, ja, zeg ik, ik hoor ’t net! Waarom vertelt hij jou dat?, zegt ze ontsteld.

In de lucht

Ze hebben dat nette van zuid-Duitsers, dat charmante en ook wel enge: alles zo corréct, zo verbéten. Ze bestellen een drankje en je let er verder niet op. Dan hoor je hem zijn stem verheffen, en haar de hare samenknijpen. Je kijkt op. Hij haalt uit. Slaat niet haar maar in de lucht. Twee keer. Pam. Pam. Zijn tanden op elkaar. De onmacht van een man die weet dat je vrouwen niet mag slaan. Je twijfelt. Dit kan haast niet serieus zijn. Maar even later is zij toch echt verdwenen. Hij vraagt de rekening. Het is een ploert, maar toch lach je naar hem.

Zij daar

Ze zit achterovergeleund, maar gespannen, als een biddende cobra. Hij kent haar langer dan vandaag, zijn angst zit in zijn vezels. Vooral geen onverhoedse bewegingen. Hij beweert niets, hij oppert hoogstens. Als hij naar de wc gaat trekt hij zich langzaam terug, zonder haar uit het oog te verliezen. Zij vraagt de rekening. Zevenenvijftig half, zegt de ober. Zestig, zegt ze, en ze pint. Als hij terugkomt, houdt ze haar hand op. Hij legt er biljetten in. Tien, twintig, dertig. Niet genoeg, knikt ze. Veertig. Ze telt het geld, vinnig, en kijkt alsof ze belazerd wordt.

Quagga

Aloys Zotl - QuaggaHet was nogal stil hier en dat komt door dit dier: de quagga, een roodbruine zebra met strepen tot halverwege zijn lijf. Het afgelopen jaar heb ik zijn verhaal ontrafeld en opgeschreven. Het is een buitengewoon triest verhaal. De wetenschappelijke ‘ontdekking’ van de quagga is een geschiedenis van absolute verwarring, bevolkt door koppige natuuronderzoekers die de wildste dingen beweerden. Een wilde ezel was het, een bastaard, een vrouwelijke zebra! En ondertussen waren er de Boeren en de jagers in Zuid-Afrika die hem afschoten, de een na de ander, in razend tempo, voor zijn huid, voor zijn vlees, voor de lol. Het laatste exemplaar, een merrie, stierf in 1883 in Artis, maar het duurde nog twintig jaar voordat iemand doorhad dat de soort niet meer bestond. Of ‘soort’? Daarover is nog bijna de hele 20ste eeuw gedebateerd. Pas in 2004 kreeg de quagga zijn huidige classificatie en wetenschappelijke naam: Equus quagga quagga. Het verhaal van de quagga gaat over de quagga, maar vooral over de mens, over moedwil en misverstand. Iedereen kent de dodo, maar bijna niemand kent de quagga. Dat moet veranderen, vind ik, omdat zijn geschiedenis ons iets leert over onszelf. Volgende stap: een uitgever vinden.

Kapper

De meisjes van de Kappersacademie, ontelbaar in vele spiegels, zoemden in het rond. De meeste hadden niets te doen en wolkten samen bij hun docente, die in een hoek een jongen een justinbieberkapsel aanmat. Haar kleinste bewegingen, onder alle aandacht, waren bestudeerd en zelfbewust. De meisjes vuurden vragen op haar af en ze probeerde terloops te klinken. Het meisje dat me knipte schrok van een paar bobbels op mijn hoofd. Ze riep mevrouw. De docente kwam erbij, ging wijdbeens staan en verklaarde wat me mankeerde, stellig, luidkeels, voor de zaal, niet voor mij.

Stil

De man lag al op de grond voordat hij was geraakt. Hij oogde wat simpel, maar misschien was dat de schrik. Boven hem stond een vrouw, haar hand voor haar mond. Andere fietsers wrongen zich om haar heen. Tussen hen door wrong zich de vriend van de man. Stomme vrouw, riep hij, wat doet u nu! Kijk toch uit! Och och! Gaat het Jan? Gaat het? Moet ik de politie bellen? Nog steeds kwamen er fietsers door het groene licht. Iedereen keek, maar niemand zei iets. De man trok Jan overeind en ze verdwenen. De vrouw bleef staan, heel lang nog leek het, op de plek die nu stil was en leeg.

Lek

In de winkel leek het ding dat ik wilde kopen me toch niet helemaal geschikt. Weer thuis bedacht ik me. Ik stapte opnieuw op de fiets en kocht het alsnog. Ik hing het over een stoel. Het keek me aan. Het was niet goed. Ik ging naar de winkel en bracht het terug. Thuis was alles weer zoals het was geweest. Raar. Normaal volstaat één keer op en neer fietsen om iets in huis te halen, maar nu had ik na drie keer niets. Misschien is mijn leven wel lek, dacht ik. Ik ging de stad in om er naar te laten kijken, maar mijn mannetje kon niets vinden.

Bert

De makelaar vist nog even wat er is gebeurd, maar zijn collega’s mailen me alleen nog over ‘Bankastraat 59-C’. De mannen die zijn huis leeghalen vertellen verlekkerd hoe hoog zijn schuld was. Ze zetten zijn veel te grote luie stoel bij het grofvuil. Bert was een dossier dat kon wachten, nu is hij ineens haast niets meer. Een vordering voor onze VvE. Toch zit ik weer in de stoel. We drinken wijn. Bert kijkt met een half oog naar de degradatietopper.

Moe

Sociaal doen achter de bar vermoeit op een heel andere manier dan fysiek of intellectueel werk. Het vreet je niet van binnenuit op, maar besluipt je. Ineens hoor je jezelf dingen zeggen als ‘kruimschaag’. Een groep komt binnen, de voorste vraagt hoe het is, je zegt “Goed, en met j…”, en op dat moment lijkt het je een verstandig plan om de wedervraag tot de hele groep te richten en leer je dat ‘jou’ en ‘jullie’ niet tegelijkertijd kunnen worden uitgesproken. Een aardige Rus die vaker komt vertelt je over zijn vakantie naar Vienna, over al die Breughels daar en de sneeuw, en pas na een minuut of vijf heb je door dat er iets niet klopt als je vraagt of hij nog naar het Lido is geweest, je weet wel, dat eiland dat je ziet vanaf het San Marcoplein, en hij je heel glazig aankijkt.

Penis

De medewerkers van de apotheek verdwijnen tussen de pillenkasten. Het lange wachten begint, iedereen doet alsof hij niet oplet hoe zijn bestelling vordert. Een man blijft bij de balie staan. Een van de vrouwen schuift een doosje naar hem toe. “Hoe moet ik dit precies aanbrengen?”, vraagt hij. “Het is voor mijn eikel en penis.” Zo hard is hier lang niet iets gezegd. De vrouw achter de balie raakt ervan in de war. “Even kijken,” zegt ze, “dit is een shampoo. Voor welke plek is het precies?” “Voor mijn penis”, zegt de man, en na een goed getimede pauze: “HET GAAT OM EEN HARDNEKKIGE SCHIMMELINFECTIE.” Een collega van de vrouw komt helemaal van achteruit de zaak naar voren. “Dan moet je een crème hebben”, zegt ze tegen haar collega.

Dubstep

Ik ga naar de winkel om de hiphopplaat te kopen. Het is niet echt hiphop, heeft G. gezegd, er zit ook dubstep in. Ik neem zijn opmerking mee. Ik heb pech, het laatste exemplaar is net verkocht. Jammer, zeg ik tegen de verkoper, ik luister nooit hiphop, maar dit is heel vet. Is het eigenlijk wel echt hiphop? De verkoper zegt dat het niet meer hiphop wordt dan dit. Ik wil over dubstep beginnen, maar ik bedenk dat ik niet weet wat dat is.

Idylle

Ik bemachtigde het laatste krukje en keek naar de meisjes die het koffiezaakje bestierden. Zacht zoemden ze rond tussen jarentwintigparafernalia en pasteltinten. Ze hadden grote bruine ogen en verleidelijke lippen en onzichtbare tere vleugeltjes. Ze brachten broodpudding, mille-feuille, courgetteclafoutis, worteltaart. Mijn krukje was wankel en stond met slechts drie poten op een traptrede, als om me eraan te herinneren dat ik eigenlijk niet in deze lusthof mocht zijn. Een van de meisjes liet een vers geglaceerde taart bijna van haar vingertoppen glijden. Ik zag haar gezicht verschieten van ontzetting naar diepe dankbaarheid. De idylle was gered.

This guy

Ze kenden elkaar nog maar net, de Deense en de Nederlandse, maar het was vuurwerk. De grofste grappen en de schunnigste verhalen. Ik heb in weken niet zo’n lol gehad hier in de bar, zei ik. That’s depressing, zei de Deense. Na het sluiten liet ik ze blijven. Ik dronk mee, lachte mee, probeerde een grap. De Nederlandse wilde meer dan vriendschap, de Deense liet zich meevoeren door de drank. Hoe zouden ze later vertellen dat ze elkaar hadden ontmoet? Ze verloren zich gierend in een toneelstuk en daarna in steeds minder vluchtige kussen. De Deense keek opzij en zei: I wonder what this guy is thinking.

Balzac

Op een bankje op de hoek van de Keizersgracht en de Leliegracht, zaterdagmiddag om een uur of vier, dacht ik: hierover zou je evengoed een Comédie humaine kunnen schrijven, Balzacs wonderweefsel van drieduizend personages in bijna honderd romans, maar dan binnenstebuiten gekeerd, geen uitwaaierend epos maar juist een minutieuze verkenning van een enkele plek en zijn mensen, van het in hun plattegrond verloren Duitse stelletje tot de man in de overall die zich verstapt, van de bijna-botsing tussen de twee fietsers tot de glimlach van dat meisje. Heel het leven leek daar op die hoek te zijn en alles was helder. Niet het kleinste detail ontging me. Over de gracht kwam een politiewagen aanscheuren. Hij stopte vijf meter verderop. Aan de voet van de brug lag een jongen op de grond. Een grote haag mensen stond om hem heen.

Goed

Het slechte is zoveel makkelijker te grijpen dan het goede. Je kunt erop gaan staan, het vertrappen en zeggen: ik ben beter dan dit. Heb je gezien wat ik je stuurde, vraag ik M, geweldig toch? En hij zegt tja, ik weet het niet, dat ene stukje was echt niet zo sterk. Een halve minuut uit bijna een half uur – er was nog zoveel anders moois. Voor de zoveelste keer neem ik me voor om het goede te zien. Ik zal hoog in de lucht wijzen en zeggen: zie je dat daar? Dat vind ik mooi, al heb ik er geen woorden voor en kan ik het niet pakken. Ik lees een boek van een vrouw, tien jaar jonger dan ik. Haar brille overdondert me en maakt me klein. D vraagt wat ik ervan vind. Ik zeg: het is wel een beetje bij elkaar gegoogeld.

‘s Ochtends

Dat gevoel, ‘s ochtends op de fiets, dat je vergeten hebt je broek aan te trekken en dat je naar beneden moet kijken om je ervan te vergewissen dat het zo erg niet is – soms overkomt me precies het omgekeerde, dan verbaast het me zo dat je niet meteen bij het naar buiten gaan iemand tegenkomt die volslagen krankzinnig is geworden dat ik wel even moet denken: het valt misschien allemaal wel mee, het leven is niet het raarste dat ooit gebeurd is en we gaan niet dood om hier nooit meer terug te keren, iedereen weet dat en ik ben gewoon de enige aan wie ze het nog nooit hebben verteld.