Kwinkeleren

Karel Čapek verstaat in Over Holland de kunst van het kwinkeleren, hij raakt de kern zonder gelijk te willen hebben. Zijn bespiegelingen over Hollandse meesters, de rechte lijnen in het landschap, het licht boven de polder, de Noordzee (“Het vreemde is dat de zee van de kinderen precies even groot is als de zee van de oceaanstomers”), de open gordijnen en de schoongebezemde straten, ze hebben allemaal evenveel waars als raars, alsof Čapek cultuur wel serieus wil nemen maar niet té. Mijn exemplaar, een eerste druk uit 1933, heb ik uit het magazijn van de bibliotheek. Een eerdere lezer heeft zitten lezen met zijn potlood in de hand. De schilder Aert van der Neer verandert hij (of zij) in Aert van der Meer, die niet bestaat. Als Čapek schrijft dat de ‘gesteven plooien’ op de schilderijen ‘kraken’, dan maakt hij daarvan ‘gesteven plooien kragen’, wat alleen al syntactisch niet klopt. En zo nog meer. Een lezer die het zingen niet hoorde.