Idylle

Ik bemachtigde het laatste krukje en keek naar de meisjes die het koffiezaakje bestierden. Zacht zoemden ze rond tussen jarentwintigparafernalia en pasteltinten. Ze hadden grote bruine ogen en verleidelijke lippen en onzichtbare tere vleugeltjes. Ze brachten broodpudding, mille-feuille, courgetteclafoutis, worteltaart. Mijn krukje was wankel en stond met slechts drie poten op een traptrede, als om me eraan te herinneren dat ik eigenlijk niet in deze lusthof mocht zijn. Een van de meisjes liet een vers geglaceerde taart bijna van haar vingertoppen glijden. Ik zag haar gezicht verschieten van ontzetting naar diepe dankbaarheid. De idylle was gered.