Ha ha ha

Een meisje van een jaar of vijf stak de weg over. Aan de overkant stond een jongetje van dezelfde leeftijd. Hij hief zijn arm op tot schouderhoogte, stak een priemende vinger uit en begon haar – waarom was onduidelijk – dreinend uit te lachen: ha ha ha ha ha, in dalende toonhoogte, zijn hoofd achterover. Het was niet uit te staan, een cliché van een cliché, schrikwekkend in zijn ondubbelzinnige wreedheid. Iets verdrietiger fietste ik door naar de volwassen wereld, waar het er heel wat subtieler aan toeging.