Bon

De uitbater van de kiosk is een botte lul zoals ze niet vaak meer gemaakt worden. Ik stuur een pakje op en vraag hem om de bon. De prijs staat toch ook op het verzendbewijs, zegt hij. Maar ik wil de kassabon, zeg ik, voor de zoveelste keer, en ik voeg eraan toe: ik snap niet dat ik dat elke weer moet vragen. Ik voel hoe de wereld een slag draait, als ijzervijlsel onder een magneet. Ineens zit er leven en een lach in de ogen van de uitbater, de eerste keer in de zeven jaar dat ik hem ken. Een man achter me lacht zenuwachtig. Waarom is dat toch, vraag ik, waarom moet je altijd je tanden laten zien voor een beetje aardigheid? De uitbater komt achter de kassa vandaan en geeft me een knuffel. Hij fluistert in mijn oor dat hij dat ook niet weet, dat dat nou eenmaal zo werkt.