Freddy en Onno

Als ze zich door het nauwe gangpad in jazzcafé Alto wurmen blijft Onno dicht bij Freddy. Hij schuifelt achter hem, het hoofd naar beneden, hij zou Freddy’s jaspand wel willen vasthouden.

Freddy heeft zo vaak gebloosd dat de vaatjes in zijn wangen zijn gesprongen, een schuldige jongen die nu pas, tegen de zestig, zijn leven heeft gevonden. Onno is muizig en draagt een zeiljack.

Als Onno heeft bier heeft gehaald is Freddy verdwenen. In de paar seconden voordat hij hem in de gaten krijgt, kijkt Onno alsof hij in de steek gelaten is. Als hij hem daarna ziet, iets verderop, gaat hij niet naar hem toe. Hij blijft staan en elke keer als Freddy’s gezicht zijn kant opdraait, heft Onno zijn hand met Freddy’s glas iets op, net niet boven de schouder van het meisje dat voor hem staat.

De band stopt en Freddy en Onno gaan roken. Freddy geeft Onno een sigaret en Onno geeft Freddy vuur. Ze roken vaardig als veteranen maar met toch nog iets van de spanning van het schoolplein. Freddy vraagt: “Dus dit is geen muziek waar jij van houdt?” Onno zegt: “Ik word er kriegel van”, en hij laat geen ruimte. Freddy blijft even stil. Dan zegt hij: “En kun je je ook voorstellen dat ik het wél mooi vind?”

Spetters

Spetters ging weer in première in bioscoop EYE. In het restaurant zaten Paul Verhoeven en Joop van den Ende met elkaar te eten. Joop van den Ende at zijn patat met zijn vingers.

Een paar tafels verderop vertelde een groep acteurs elkaar verhalen over Paul en Joop. De verhalen waren oud, maar omdat ze over Paul en Joop gingen, waren ze heel lang, geen detail sloegen ze over.

Er kwam een vrouw naar Paul Verhoeven toe die zei: “Ik ben Anneke, ik heb het nog met Maarten Spanjer gedaan.”

Na de film mocht het publiek vragen stellen. Een man vertelde dat hij een tatoeage had van Showgirls. Hij wilde zijn tatoeage wel laten zien maar niemand vroeg daarom.

Een andere man zei twee keer tegen Paul Verhoeven: “Ken je me nog?” Hij vertelde dat hij ooit door hem gepasseerd was voor de rol van Maarten Spanjer. Verhoeven zei dat Maarten Spanjer zich nadien wel had bewezen. De mensen lachten en vergaten de man.

Hoe kies je een Turk?

Otjes kwam graag bij de Turk. Daar laadde je je tas vol, gaf je een tientje, en bleven ze maar geld teruggeven. Alleen, vroeg hij zich af: hoe kies je de goeie? Hij ging altijd naar de dichtstbijzijnde Albert Heijn, maar er waren zeker twintig dichtstbijzijnde Turken.

Er was een Turk die hem altijd ‘vriend’ noemde en een ander ‘buurman’. Er was er een die hem altijd ‘fijne avond verder’ wenste.

Er was een Turk die dingen voor hem uit de koelcel haalde als hij eigenlijk al gesloten was. Een ander bewaarde zijn stokbrood toen Otjes hem tussen de avocado’s had laten liggen.

Alle Turken rondden de prijs af naar beneden als het om stuivers gingen. Allemaal zeiden ze “volgende keer!” als hij tekort kwam, en allemaal kwamen ze daar nooit op terug.

Er was een Turk die zich onderscheidde met een grote Afrikaan in een jurk als stoepveger, maar dat was hoogstens goed voor de couleur locale, Otjes als consument schoot er weinig mee op.

Otjes stond van de week bij een Turk toen er een klein meisje binnenkwam met haar moeder. Het meisje zei: “Hij is een Turk!” Otjes dacht: “Ja, hij is een Turk. Maar is het de goeie?”

Azor

Erik zei: je blijft maar rondlopen, je denkt dat het een grap is. Maar het was snel genoeg echt vorige week. Dat ik het niet accepteer, is iets anders.

Hij is ergens in deze stad. Tijdens de avondwandeling denk ik aan niets anders. Wonderlijk hoe één ding (een díng!) al je gedachten opzij kan schuiven.

Wat zijn er ineens veel grote zwarte met dubbele stangen, witte banden en een klein pingbelletje. Wat zijn er veel robuuste Azors, al dan niet met pakjesdrager. Mijn wereld is klein, maar zelfs in deze paar straten duiken er steeds nieuwe op.

Ik weet zeker dat ik hem ooit weer zal zien. Dat heb ik eerder gehad. (Ik belde mijn vrienden voor versterking. Ze zeiden dat de aardappelen net op stonden.)

Destijds duurde het maanden voordat het gebeurde, en Amsterdam is veel groter dan Groningen. Misschien kom ik wel nooit in die ene straat waar ‘ie misschien staat.

Ego

Ik zat met M.
die leuker is dan de meeste mensen
en bedacht hoe weinig er te zeggen valt

Je kunt vragen stellen
maar ook niet eindeloos

De rest is ego

Waarom zeggen wat je al weet
als niemand ernaar vraagt?

Lekker?

Net onder de bal van m’n voet zit een zenuw klem. Mijn lijf staat onder hoogspanning. Ik ga naar Chi Massage Health Center Studio Institute. Een full body massage is een uur, zegt de Chinese eigenaresse.

Het bed met het gat past nauwelijks in het kamertje. Aan de muur hangt een roos op canvas, in het plastic en met de kartonnetjes om de hoekjes.

De eigenaresse stuurt een collega die één woord Nederlands spreekt: “Lekker?”. Ze begint bij mijn hoofd. Na een minuut of twintig, als ik haar tempo doorheb, begin ik te twijfelen of ze binnen de tijd mijn voeten zal bereiken.

Als ze net mijn enkels heeft gehad zegt ze: “Finished”. We komen nog een half uur overeen voor m’n voeten. Maar ze komt maar niet aan die ene zere plek. Als ik ernaar wijs, knikt ze begrijpend en wijst ze naar haar navel. Ze gaat door en rondt af zonder de plek noemenswaardig aan te pakken.

Als ik aangekleed ben krijg ik van de eigenaresse een glas water. Ik vraag wat haar collega bedoelde met die navel. Ze pakt een vel erbij waarop alle organen zijn ingetekend in het voetbed. Ze wijst naar mijn navel en steekt haar hand in het glas. Het water plenst over m’n kruis. Ze pakt een doek en zegt: “Volgende keer gaan we over je heen lopen.”

Niet spectaculair

Het nieuwe filmmuseum EYE in Amsterdam-Noord zou woensdagavond openen met een lichtshow. Aan de stadskant van het IJ, bij het restaurantje naast de pontjes, stond een plukje mensen te wachten. Drie lichtpilaren zwierven lijzig door de lage wolken.

Het was al lang negen uur geweest en de show was nog niet begonnen. De mensen werden ongeduldig, ze gingen van de ene voet op de andere staan en tuurden naar hun mobieltje.

“Is dit de lichtshow?”, overdonderde een vrouw het groepje. Ze reed met haar fiets van achter op ze in. Haar man bleef op veilige afstand staan. “Ik hoop niet dat dit het is. Dit is niet spectaculair.”

De lichtpilaren doofden en het paars uitgelichte gebouw werd donker. De vrouw zei: “De stroom is uitgevallen.” En toen een paar mensen omkeken: “Ik denk echt dat de stroom uitgevallen is.”

Niemand reageerde, ook haar man niet. “Zullen we de pont nemen?”, zei de vrouw. “Kom, we nemen de pont!” Maar haar man zei: “Hier kunnen we het toch veel beter zien?”

De vrouw was alweer met iets anders bezig. Ze keek naar het gebouw dat nog steeds donker was en zei: “Dit gaat niet goed. Zometeen ontploft ‘ie!”

Langs de contouren van het gebouw liepen ineens een paar paarse lijnen. Het begon! Maar het was ook alweer afgelopen. “OPEN”, stond er nu.

In de paar seconden dat dit gebeurde waren de vrouw en haar man verdwenen. Het toevallige groepje kijkers viel zwijgend uit elkaar.

Slechtnieuwsgesprek

“Welke medicijnen?”, vraagt de kapper als ik vertel dat ik daar die rare bobbels op m’n hoofd door heb gekregen. Hoe dan ook: hij heeft er wel iets voor. “En dit is voor uitdunnend haar. Het houdt ’t kaal worden niet tegen, maar het vertraagt het wel.”

Na het wassen installeert hij zich om me te knippen, maar een andere klant vraagt ook zijn aandacht. Samen met zijn collega, een jong meisje, bespreekt hij hoe ze haar haar gaan aanpakken. Zij is de onzekere co-assistente. “Ik wil zometeen horen wat je plan is”, zegt hij.

Vijf minuten later is ze eruit. Het wordt een 1.44 voor de wortels, en een 2.14 voor de punten. Hoe is het met de scalp, vraagt hij, is die soepel? Misschien anders een 1.42?

“Heb ik hier ook iets over te zeggen?,” vraagt de vrouw in de stoel.

Als ze allebei koffie voor ons zijn gaan halen zegt ze: “Ik hoor net dat ik vijftig procent grijs ben. Het is net een slechtnieuwsgesprek.”

Wormgat

Zaterdagnacht gaat de klok om 2 uur een uur vooruit. Mijn vriendin komt om 3 uur aan op Schiphol, maar winter- of zomertijd, dat staat niet vermeld. Ook staat deze lijnvlucht bekend als wispelturig. Dat wil zeggen: vertraging komt voor, maar de volgende keer land je zomaar een uur eerder. Dit alles maakt de verwachte aankomsttijd onzeker: van de ene naar de andere klok en van een snelle naar een trage vlucht loopt ’t uiteen van 1 uur tot 4 uur. Dat is drie uur verschil en dat is ongeveer de duur van de vlucht na de laatste tussenstop. Dus om 1 uur is ze er al of nog niet eens vertrokken. Een wormgat in de werkelijkheid. Net als een trein die zo lang is dat hij bij twee stations tegelijk stopt. Je moet nog vertrekken maar je bent er al.

Rokjesdag

Even over rokjesdag. Dat was donderdag trending. Een gotspe, zo is al opgemerkt, en terecht. Als ze nu volgende week woensdag hadden uitgekozen, de 21e, het begin van de lente, dan was dat nog te billijken geweest. Dan hadden ze de stukjes van Martin Bril gewoon slecht gelezen. Maar zomaar een dag in maart met 15 graden, dat getuigt van een verbazingwekkende zintuigloosheid. Als je een beetje oplet dan weet je dat rokjes niet massaal verschijnen als het even mooi weer is. Het kan al dagen-, wekenlang mooi weer zijn zonder dat rokjesdag aanbreekt. Want rokjesdag breekt pas aan als de meisjes het in de bol krijgen, ’ s ochtends zo bij het aankleden, zonder elkaar te whatsappen. Ze voelen het door het open raam van de slaapkamer. Als jongen kun je dat ook prima voelen, en je mag tegenwoordig ook een rokje aan als je dat wilt. Gewoon even een maandje wachten.

Tot op de randjes

Mijn buurman heeft zijn stoep geschrobd en
een messcherpe lijn getrokken
aan elke zijde van zijn huis
langs de klinkers die
(meevaller)
in halfverband
loodrecht op het huis staan

Een stelletje loopt voorbij
’t Is wel mooi schoon, zegt hij
en zij: Precies tot op de randjes

Het beste moment om te stoppen
is voordat je begint
wie z’n stoep schrobt maakt
vooral de rest van de straat vies

Alles kan

Op de brug van de bibliotheek naar Nemo – als je naar rechts kijkt zie je een van de mooiste stukjes stad, altijd anders. Als ik tijd en talent had en een schildersezel zou ik er elke dag gaan staan.

Muziek. Er zitten vier mensen in een bootje bij de kade en ze spelen Sunny (yesterday my life was filled with rain). Alles erop en eraan in de vertrapte schuit: drums, een versterkte gitaar, heel veel lol en een blonde zangeres in een kleurig leren jasje. Op de kade gaat een jongen dansend met de pet rond.

Ik wil een foto maken om er deel van uit te maken, maar ik doe het niet, want dan moet ik wat geven. Ik fiets met een boogje om de jongen heen.

Al die vormen die zo’n bootje en zo’n liedje kunnen aannemen, en zo’n schildersezel ook. De mogelijkheden zijn eindeloos. Maar bedenk ze maar eens met je benepen kop.

De walrus

De conducteur zit als een sombere walrus in zijn aquarium. Op het Leidseplein en het Weteringcircuit vliegen de mensen na het uitgaan zonder groeten langs hem heen. Sommigen kijkt hij recht in het gezicht als ze pal naast hem inchecken. Een jongen die een kaartje nodig heeft werpt zijn geld zonder op te kijken op de balie.

Tussen de haltes draait hij zijn stoel een kwartslag in de rijrichting. Zijn matte blik staart in de verte en laat zich niet vangen. Drie Franse meisjes maken zich op om uit te stappen en groeten hem zachtjes: “Au revoir monsieur”. Misschien hoort hij het niet.

Er verschijnt een jongen met een lach die van de stoep de tram in rolt. De walrus veert op als een amechtig beest in een laatste spasme en lacht alsof hij de jongen wil omhelzen.

Hij heeft zijn welzijn in handen van anderen gelegd, maar hij is niet te redden.

Quatre is vier

Die kleine Franse regeltjes, ze willen maar geen tweede natuur worden. Al op school leer je dat ze in barretjes twee tarieven hanteren, maar toch plof ik altijd maar weer toeristisch neer. Dan zie ik tijdens het wachten de menukaart en weet ik niet hoe snel ik me met mijn grote rugzak naar de bar moet spoeden, om me daar angstig te gaan zitten afvragen of ik niet alsnog de hoofdprijs moet betalen omdat ik nu eenmaal in de salle heb besteld. Zielenrust is in Frankrijk maar mondjesmaat verkrijgbaar.

Aan de ober in een ander café vraag ik wat zijn beste wijn is. Ik vind het heel sympathiek dat hij me niet de allerduurste aanbeveelt, maar als ik het glas krijg begint het tobben weer. Dit is een wel heel strak wijntje. Zijn ze me aan het testen? Stiekem het goedkoopste bocht ingeschonken voor de toerist die pretendeert iets van wijn te weten? In Frankrijk, waar je in een permanente staat van minderwaardigheid wegglijdt, wordt het ineens denkbaar.

Je zou willen dat het elk tripje iets beter wordt. Iets meer zelfvertrouwen, iets minder ongemakkelijke dialogen. Maar dat gebeurt niet. Het wordt alleen maar erger. In een redelijke volzin vroeg ik vorige week in Dijon in een bioscoop om een kaartje. “Hij draait in zaal vier”, zei de jongen achter de kassa, ook in het Frans een heel makkelijk zinnetje, maar toch stak hij er vier vingers bij in de lucht, heel lang en nadrukkelijk, als een obsceen gebaar.

Avondwandeling

Wat heeft een avondwandeling nodig?
Een viaduct, een kanaal.
Donkere lucht, oranje licht.
Een schijtende hond her en der,
een gebeurtenis af en toe.
Niet te veel hoogbouw,
liever geen bekenden,
een schoolplein met veertegels: leuk.
Onbekenden die je groeten: ligt eraan.
Rare bedrijven, een briefje achter het raam.
Motregen bij een graad of tien.
Ergens op de route het gevoel
dat je kleine gedachten openbreken.

Zonder toeslag

Hij zit aan de andere kant van het gangpad in de Fyra, waarvoor je vandaag alleen een gewoon kaartje nodig hebt. Het duurt lang voordat hij zijn rust heeft gevonden. Hijgend, paniekerig, ordent hij de spullen in zijn tas. Uiteindelijk vist hij er een grote discman uit die nog in de originele, versleten doos zit. Hij sluit een grote koptelefoon aan en een soulkraker rolt mijn kant op.

Hij is groot en heeft de onberekenbare zachtheid van de onnozele. We maken oogcontact. “Heb je lekkere muziek op?”, vraag ik. Hij kijkt me aan en zegt, zonder dat zijn ogen echt contact maken: “Ja!” Maar dat is niet wat hem echt bezighoudt, want meteen zegt hij: “Nog het hele weekend zonder toeslag!”

Hij draait zich om en zet zijn beide handen tegen het raam. Het is nacht, hij wil alles kunnen zien, hij zou er wel in willen springen. Hij wiebelt ongedurig met een been en met zijn wijsvingers trommelt hij op zijn voorhoofd.

In veertig minuten reizen we van Rotterdam naar Amsterdam. Het is mijn tweede keer en het is al gewoon. Buiten zie ik de lange linten verlichting boven de wirwar aan wegen. Ik bedenk hoe magisch ik dat vond, vroeger, als we na een familiebezoek terugreden naar het noorden. Al die opwinding ben ik kwijtgeraakt. Wat zou het leven mooi zijn als dit al een avontuur is: een ritje in de snelle trein, en tweevijftig korting.

Prei is per stuk

Met vijf stronken prei meldde ik me bij de kassa. De caissière pakte er een, gaapte, sloeg 39 cent aan, en deed dat maal vijf. Ik schrok op uit mijn eindedagsroutine. “Huh”, zei ik, “maar die andere zijn toch niet allemaal even dik?” Een holle blik, maar toch een verrassing: “Prei is per stuk”, zei ze doodgemoedereerd.

Prei is per stúk? Sinds wanneer? Als dat echt waar was dan was die kleine revolutie toch wel aangekondigd op de groenteafdeling? Ik werd hier besodemieterd door een lui wicht dat te bescheten was om een paar stronken prei even goed op de weegschaal te balanceren.

Maar voor een paar centen maak je geen stampij in de avondrij. Ik slikte het, verbouwereerd. Thuis ontmoette ik weinig begrip, dus mokte ik solo.

De dag erop stapte ik de winkel binnen om boodschappen te doen en om verhaal te halen. Zelfgenoegzaam, om nog even bevestigd te worden, liep ik langs de prei. Ik geloofde niet wat ik zag.

Prei is per stuk tegenwoordig. Akkoord. Maar kan zo’n meisje van zestien dan niet doen alsof dat altijd zo is geweest, alsjeblieft?

M-rompje

Mannen die van mannen houden: men zegt dat ze vals kunnen zijn, maar probeer hun bedoelingen in het heetst van de strijd maar eens goed te peilen. Misschien heb ik gewoon echt een heel mooie trui.

In café In ’t Aepjen laveer ik met twee lege glazen naar de bar. Iemand vraagt of ik zijn glas ook mee wil nemen. “Tuurlijk”, zeg ik. De man met wie hij staat te praten zegt: “O, wat aardig. En hij heeft ook al zo’n fijne trui!” “Gezellig hè”, zeg ik. “Ja, echt een gezellige trui”, zegt hij.

Even later wacht ik beneden voor de bezette wc. De deur slaat open en een jongen verschijnt. “Mag ik je iets zeggen?”, vraagt hij. “Ik vind je trui echt heel mooi.” “Dankjewel”, zeg ik. En hij gaat door: “Ik vind je broek kut en je schoenen kut, maar je trui is goéd.”

Hij monstert me en zegt dat een maatje kleiner wel had gekund. Ik werp tegen dat het een L is. “Maar je hebt echt een M-rompje”, zegt hij.

Als ik zijwaarts mijn rompje in de spiegel bekijk, zegt hij: “Mag ik je nog vragen: wat is het, Fred Perry?” Ik draai de boord van mijn trui om, zoek het merkje en lees: “Ben Sherman.” “Echt?!”, roept hij verrukt uit, en hij steekt zijn hand in de lucht voor een high five, die ik om duistere redenen beantwoord.

Koffiehuis

De oude bruine kroeg verdwijnt nog niet zolang ze er je biertje tappen in fonkelende, in ijswater gewassen glazen. Maar een broodjeshuis: als daar de eerste plakjes van de hompen vlees in de vitrine naar lever smaken, dan weet je dat er iets aan het doodgaan is.

Je kunt er goed binnenvallen, bij koffiehuis ’t Keldertje, door op ’t steile trappetje-af net op tijd de klink op kniehoogte te vinden, want de deur zit waar je nog een tree verwacht, of twee.

De soep van de dag is de groentesoep van gisteren. Je krijgt ‘m in een roestvrijstalen kom. Pistoletjes zijn er niet. Als je luxe wilt neem je een tijgerbolletje. Daarna lees je aan een schuine tafel De Telegraaf.

Aan de overkant van het gangpad zit Sylvia Kristel. Ze weet dat je hier kunt verdwijnen. Als je haar zou volgen zou je alle vergeten plekjes van Amsterdam zien, een bankje langs een lege gracht, straten die niet op de kaart staan en tramlijn 6, die niet meer bestaat maar die toch nog blijkt te rijden.

Cotton Club

Het is schandalig dat zwarte muzikanten vroeger nooit de credits kregen, zegt hij. Zetten ze een stel witte muzikanten op de hoes, terwijl zij de echte uitvinders waren van de soul.

We zitten in de Cotton Club, hij is aan de bar onontkoombaar dicht tegen ons aangeschurkt. Hij is het type dat bij een eerste gesprek maar aanneemt dat je niets weet, want dan kun je nog eens een boom opzetten.

Soul gaat zo diep, zwarten snappen dat!

We moeten naar ons restaurant, we hebben gereserveerd. Waar gaan jullie eten? Je moet een keer naar Thai Bird hier op de Zeedijk, dat is echt heel goed.

Dat kennen we, zeggen we, daar hebben we nog eens een voedselvergiftiging opgelopen.

Ja, zegt hij, die Aziaten zijn niet zo proper.

Huppelgêne

Het huppelen ging goed vanavond. Toen aan de overkant uit een zijstraat twee mensen verschenen ging ik nog zeker tien meter door. Er zit progressie in. Ik heb gegoogled, maar er zijn geen trainingsschema’s om huppelgêne te overwinnen. Dit is iets dat je op eigen kracht moet doen. Steeds een beetje meer. Over een half jaar naar de bakker, over twee jaar het hele Damrak af. Al die tijd zal er iets aanstellerigs in zitten, in die bewegingen en dat opgeheven hoofd: kijk mij me eens van niemand iets aantrekken! Balsturig vuur je jezelf aan: dit is verdomme mijn leven! Maar met de jaren zal dat slijten. Wat je nu al weet ga je doorvoelen: dat de lach van de mensen er een van schrik is, dat ze het liefst mee zouden doen, want huppelen is veel leuker dan lopen. Daarna vergeet je zelfs dat. Je vergeet jezelf. In een lange, verlaten straat huppel je minutenlang af op een man met een hond. Je wenst hem goedenavond zonder met iets anders bezig te zijn dan met je eigen vrolijke gedachten.

Nieuwjaarsorgie

Hier is een bericht voor alle medewerkers. Het is bijna 10 uur, tijd voor de nieuwsjaarsorgie. Vriendelijk verzoek aan iedereen om zich te begeven naar B3 om ingewreven te worden met herpes en Max Factor. Graag in nette rijen opstellen zodat we kunnen controleren of iedereen meedoet. Voor de goede orde, om onduidelijkheden zoals vorig jaar te voorkomen: kussen is verplicht. Ik herhaal: kussen is verplicht. Smoesjes over griepjes worden niet geaccepteerd. De beveiliging doet zometeen nog een rondje om achterblijvers op te pikken. Probeer je niet te verschuilen achter de philodendron. Gelukkig nieuwjaar!

Oliebollen

Jawel! De man van het antiquariaat koopt nog wel boeken in. Ik loop vrolijk naar buiten, laad de doos uit de auto en stap de winkel weer binnen. Hij is iets vergeten te vertellen, zegt hij. Hij koopt niet echt boeken in, hij geeft een tegoedbon. Hij bekijkt de inhoud van de doos en zegt: twintig euro.

Ik probeer de deal te doorgronden en het duizelt me. Kan ik straks voor die tegoedbon vier of vijf boeken terugkopen terwijl ik hem er dertig breng? Schiet ik er dan niet dubbel bij in? En dan nog: ik wil helemaal geen boeken, ik wil ervan af!

Oh, wat stinkt dit. En oh, wat ben ik hopeloos verloren bij elke transactie buiten de Albert Heijn. Want ik neem die bon nog aan ook. Ik neem hem aan omdat ik geen zin heb om die doos weer in te laden en alsnog naar de kringloop te brengen, waar ze je niet bedonderen.

Daar hangt die bon dan aan de koelkast. Een goed verhaal, troost ik mij soms. Maar het moet maar eens afgelopen zijn met die verhalen, ze kosten me klauwen met geld.

Vanmiddag liep ik langs het antiquariaat. Onder zijn luifel heeft de man een spandoek gehangen. “OLIEBOLLEN”, staat erop. Thuis heb ik meteen gecheckt of hij het niet op de bon heeft geschreven: “Geldt niet voor oliebollen”. Het staat er niet op, dus morgen ga ik. Ik mik op twintig bollen. Twintig bollen voor dertig boeken en geen bol minder, met mij valt niet te sollen.

Chaos

Voor mijn huis werd een jonge vrouw beroofd. Ze schreeuwde hartverscheurend. Net als andere buren stak ik mijn hoofd naar buiten. In de verte zag ik een man wegrennen, kalmpjes eigenlijk, in een rode jas.

Ik weet niet goed wat me tegenhield om meteen op de fiets te springen, maar later deed ik het alsnog. Misschien zag ik de tas, misschien de jas.

Mijn bewustzijn vernauwt, ik fiets door een kaart van de Indische Buurt, langs waarschijnlijke wegen en straten.

De wind trekt en duwt onstuimig. Het viaduct naar Oost lijkt donkerder dan ooit.

In de Dapperstraat schiet een man de straat op. Ik schrik. “Heb je een witte hond gezien?”, schreeuwt hij. “Nee,” schreeuw ik, maar als ik weer voor me kijk zie ik hem wél, de grootste witte hond die er is.

De man ziet hem ook en begint te schreeuwen. “IJSBERG! IJSBERG!!”

Laatste kans om de rode jas te vinden: station Muiderpoort. Weer een viaduct. Lichter, groter, drukker. Een auto rijdt voorbij. Pal naast me knalt een litermilkshake van de McDonalds tegen een pilaar, ik hoor de doffe klap boven het geraas.

Net voordat het kikkers gaat regenen ben ik weer thuis.

Rot op!

Twee blonde meiden – het leken wel zussen – hadden broodjeshuis Prins Heerlijk in Amsterdam altijd in een ijzeren greep. Ze jongleerden met broodjes uit de oven, omeletten van de plaat, drankjes, wisselgeld en hoekig Engels voor de toeristen. “Have a seat and I will bring it to you.”

Nieuwe medewerkers namen het over, de meiden raakten langzamerhand uit beeld. De nieuwe medewerkers lachten meer en zongen harder mee met de muziek.

De nieuwe medewerkers vergaten m’n croissantje in de oven. Ik vroeg erom en kreeg hem alsnog. Toen ik mijn mes erin zette, viel het in pulvers uiteen.

De nieuwe medewerkers roosterden het stokbrood dood, gaven een halve liter karnemelk als je om een glas vroeg, een zacht wit bolletje als je een bruine Italiaanse had aangewezen. Om alle onderdelen van je bestelling te ontvangen moest je oogcontact maken wanneer dat maar kon en blijven hopen.

Ze renden net zo hard als de meiden. Hoe kon het systeem ineens zo kraken?

Het antwoord kwam van de week, eerder dan m’n bestelling. Twee mannen vonden dat het te lang duurde totdat ze werden geholpen en stapten de zaak weer uit.

“Kijk wat je hebt gedaan!”, zei het meisje achter de balie.

“Zie je dat het werkt!”, zei haar collega. “Je moet alleen maar denken: rot op, rot op, rot op!”

Mensen tellen

Ik was vrijwilliger op een groot festijn en telde de mensen die in een ruimte waren, met een tikkertje. Vanwege de veiligheid mochten er maximaal tweehonderdvijftig in. Ik had net iemand afgelost en merkte dat het een lastige klus was. Er stroomden zo veel mensen naar binnen dat ik niet veel anders kon doen dan er maar een slag naar slaan. En dan gebeurde er ook nog eens van alles bij de uitgang.

Tien minuten nadat ik was aangetreden stond er op de tikker een getal dat slechts met een flinke foutenmarge serieus kon worden genomen. Net toen ik me afvroeg wat dat zei over de relevantie van mijn werkzaamheden, kwam er een beveiliger naar me toe die zei: “We gaan ze even tegenhouden.” Zijn collega’s in de ruimte hadden hem gewaarschuwd: het werd te vol. Ik keek naar mijn tikker. Volgens mijn gegevens konden er nog minstens honderd mensen bij.

De ruimte liep leeg en ik had moeite de tel bij te houden, dus klikte ik tamelijk lukraak neerwaarts. Op het moment dat de beveiliger de wachtenden weer doorliet stond er een cijfer op mijn teller dat ik evengoed ter plekke had kunnen verzinnen. Maar maakte dat eigenlijk nog wel uit? Niemand trok zich er toch iets van aan.

Nog geen tien minuten later zetten ze de rij weer stil. Hoe zou het zijn geweest als ik op dat moment tegen de tweehonderdvijftig had gezeten? Zou ik dan de zinloosheid van de onderneming niet hebben doorzien? Dan had ik misschien gedacht: heel goed, ik stond net op het punt om in te grijpen.

Nu werd het me te veel. Ik zei tegen de beveiliger dat ik ermee stopte. Hij zei: “Maar het moet wel gebeuren!”

Multatuli Museum

De hele stad lag voor ons open die middag, er was van alles te beleven. De Ajax Experience, de Heineken Experience. Het werd het Multatuli Museum in de Korsjespoortsteeg.

De deur was op slot maar binnen stond iemand op om hem open te doen, een vrolijke grijze vrouw. Ze ging ons voor, trapje af, een achterkamer omgebouwd tot kleine bibliotheek. “Ga zitten”, zei ze, op een manier waardoor je je andere plannen gewillig laat varen.

Wat wisten wij van Multatuli? Het een en ander, zeiden we. “We hebben Nederlands gestudeerd.” We kregen de verkorte versie, nog steeds dik een uur het leven van Eduard Douwes Dekker. Ik doe dit pas net, zei Margot, zoals ze zich later voorstelde, en misschien kwam vooral daardoor de schrijver tot leven alsof hij pas tien jaar dood was.

We bladerden in boeken die Margot uit de kast trok, soms op ons verzoek – het was al lang geen monoloog meer, we stelden vragen en vulden aan. We kregen thee en een koekje. Twee keer citeerde Margot Willem Frederik Hermans, een zin uit De raadselachtige Multatuli, omdat ze die zo mooi vond: “Maar slot of zin heeft de wereld nu eenmaal niet, smakeloze ironie des te meer.”

Via de Minnebrieven kwamen we op de Ideeën. Wij, altijd te porren voor niet uit te voeren plannen, meer vorm dan inhoud, opperden het idee om elke dag een Idee te twitteren. Dat zou nog eens goede PR zijn. Margot ging er niet op in. Twitter en Facebook, ze wist wel van het bestaan en haar verloofde deed er ook wel aan, maar zij vond dat er toch al zo veel was. Ze had juist een omgekeerd besluit genomen: nu ze niet meer werkte wilde ze zich concentreren, met één ding bezighouden. Dat was Multatuli geworden.

We tekenden het gastenboek en bekeken de namen. We waren nummer vijf en zes die middag. We gingen naar boven. Mijn metgezel aaide de sofa waarop Douwes Dekker stierf. We hoorden een klok tikken zoals hij hem moet hebben gehoord.

Wat een belevenis, je zou het aan iedereen willen aanbevelen. Maar dat kan niet, want dan maak je het stuk.

Feestpoeper

In een restaurant dat zich De Eetkamer van de Jordaan noemt kun je erop wachten: opgedrongen nostalgie. De volksmeiden van de bediening komen met twee grote schalen ijs binnen, spetterkaarsen erin, en ja hoor: daar knalt de muziek al door de zaak: Bij ons in de Jordaan, en dan nog zo wat liedjes, een medley over die toffe buurt van toen.

Het gezelschap aan de lange tafel voor wie het ijs is bestemd heeft aan een halve maat genoeg. Gezelligheid, misschien is het ze beloofd in het Dagje Amsterdam-arrangement dat ze vanuit Nuenen hebben geboekt: ze hebben zich erop verheugd, dus nu brullen ze meteen mee, van je hela hola hoeladiejee, en ze stampen op de tafel met hun vorken en messen in de handen.

Een ouder gezelschap van vier bij het raam ook is ingehaakt. De man die het dichtst bij ons zit knikt naar zijn tafelgenoten: die doen ook niet echt gezellig mee. Prompt krijgt hun zingen iets onhandigs. Ze hebben ons nodig voor hun gein. Bent u uit Parijs? vraagt de man me in een pauze, doelend op het zinnetje dat net voorbij is gekomen, “Liever in Mokum zonder poen dan in Parijs met een miljoen”. Hij laat zijn vraag ongedwongen klinken, maar ik voel me toch als in de filmscènes waarin het slachtoffer moet meezingen met een vrolijke kraker, pistool op zijn hoofd.

Ik zou wel graag willen inhaken en opgaan in de massa, zonder nadenken. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Dus geef me bij binnenkomst maar een bordje om mijn nek, laat me jullie feestje niet bederven. Sorry mensen, ik kan niet anders, ik ben de feestpoeper.

Gootsteenontstopper

Bij de Praxis verkochten ze gootsteenontstopper vanuit een kartonnen display dat erin slaagde me af te leiden van mijn gang naar de afdeling handgrepen. Ha! Ik had thuis een verstopte gootsteen maar alleen versteende ontstopper, goed om hier tegenaan te lopen.

Ik ontdekte dat er veel verschillende soorten ontstopper zijn, niet alleen voor de gootsteen maar ook voor andere waterwerken. De meeste zijn nu ook vloeibaar, niet meer met korreltjes die verbranden door water.

Ik wilde een fles ‘gootsteenontstopper’ grijpen, maar zag toen een fles ‘keukenontstopper’ en veranderde mijn keuze.

Zonder verdere avonturen bereikte ik de kassa met de fles en twee chromen handgrepen (rvs-look, greep 128mm Bar). Achter me sloot een vlot ogende vrouw van vroeg zestig aan. Bij de kassa zag ik dat ze ook een fles ontstopper mee had gepakt, wat me deed stilstaan bij de kracht van kartonnen displays. Ik overwoog of ik hierover iets tegen de vrouw moest zeggen. Maar ze sprak mij al aan: wist ik het verschil tussen mijn fles en de hare? Nu zag ik het: ze had de gewóne gootsteenontstopper gepakt.

Ik kon niets beters bedenken dan: dat is gewone gootsteenontstopper, dit is voor in de keuken. Dus gooide ik het over een andere boeg en zei, nu tegen de kassière: misschien weet mevrouw het.

De kassière wist het niet, maar begon wel aan een ondoorgrondelijk betoog dat ze besloot met de mededeling dat de fles van de vrouw was om te ontstoppen en de mijne om te onderhouden. Daarbij deed ze nog de tip kado dat voor goed onderhoud een scheut natuurazijn altijd helpt.

Nu weet u het, zei ik tegen de vlot ogende vrouw. Op weg naar huis wilde ik dat ik iets snedigers had verzonnen.