Als ze zich door het nauwe gangpad in jazzcafé Alto wurmen blijft Onno dicht bij Freddy. Hij schuifelt achter hem, het hoofd naar beneden, hij zou Freddy’s jaspand wel willen vasthouden.
Freddy heeft zo vaak gebloosd dat de vaatjes in zijn wangen zijn gesprongen, een schuldige jongen die nu pas, tegen de zestig, zijn leven heeft gevonden. Onno is muizig en draagt een zeiljack.
Als Onno heeft bier heeft gehaald is Freddy verdwenen. In de paar seconden voordat hij hem in de gaten krijgt, kijkt Onno alsof hij in de steek gelaten is. Als hij hem daarna ziet, iets verderop, gaat hij niet naar hem toe. Hij blijft staan en elke keer als Freddy’s gezicht zijn kant opdraait, heft Onno zijn hand met Freddy’s glas iets op, net niet boven de schouder van het meisje dat voor hem staat.
De band stopt en Freddy en Onno gaan roken. Freddy geeft Onno een sigaret en Onno geeft Freddy vuur. Ze roken vaardig als veteranen maar met toch nog iets van de spanning van het schoolplein. Freddy vraagt: “Dus dit is geen muziek waar jij van houdt?” Onno zegt: “Ik word er kriegel van”, en hij laat geen ruimte. Freddy blijft even stil. Dan zegt hij: “En kun je je ook voorstellen dat ik het wél mooi vind?”





