Klein avontuur

Toen op de pont naar Amsterdam-Noord mijn telefoon uitviel kon ik alleen nog maar terugvallen op een zeer vaag idee omtrent de locatie van de Frambozenstraat, waar ik een pakje moest bezorgen. Ik verbeet me dat ik me het stratenplan niet wat beter had ingeprent, en het duurde werkelijk lang voordat ik op het idee kwam dat ik het ook gewoon aan de mensen kon vragen. Toen ik dat uiteindelijk deed werd mijn boodschap onverwacht een klein avontuur. Niet alleen leerde ik de onofficiële naam van de wijk, maar ook ontdekte ik hoezeer een gebbetje van vijftig, zestig jaar geleden nog altijd grappig gevonden kan worden, want alle mensen die ik aansprak zeiden het met plezier in hun ogen: ‘Ah, Tuttifruttidorp!’, ook al hadden ze geen idee waar de Frambozenstraat dan precies was.

Hung in translation

Zijn lach bulderde door het lokaal en maakte me klein. Wat had ik fout gedaan? Ik zei alleen maar dat ik een taalknobbel had, en dat ik daarom die cursus Russisch volgde. Had ik onbehoorlijk opgeschept? Tien jaar lang voelde ik op onbestemde momenten soms nog de schaamte. Deze week kwam er eindelijk en onverwacht een einde aan het raadsel. Een comedian op de BBC. Knob is veel meer dan alleen knobbel. Ik heb een taallul!

Aardig

De man was me bij verschillende gelegenheden voorgekomen als een grote hork, dus toen hij ter sprake kwam verbaasde het me niet dat hij volledig ongevraagd door een van zijn ondergeschikten ‘best aardig’ werd genoemd, want dat strookte volledig met mijn hypothese – die ik nog eens wil testen als ik daarvoor voldoende middelen heb – dat niet-aardige mensen veel vaker aardig worden genoemd dan aardige.

Schrappen

Met tijd om handen duik ik weer in de literatuur. Na twee jaar schaven aan een boek vol feiten kan ik niet helpen me af te vragen: als het niet echt is gebeurd, hoe weet je als schrijver dan dat het af is? Natuurlijk, stijl, suspension of disbelief, al dat soort overwegingen. Het bouwwerk moet stáán. Maar hoe weet je of niet nog meer erin moet, of vooral: eruit?

Wo

Door de steeg kwam een eenbenige vrouw aangekrukt. Ze was klein, verschrompeld, haar gebit tandeloos. Ow, zei ze, ow. Geen kreun of klacht, meer een ademtocht. Voor het café boog ze zich over de asbak. Wil je een sigaret, vroeg ik. Ze ze niets terug, richtte zich langzaam weer op. In haar mond stak een vrijwel complete sigaar. Die had daar inderdaad vanaf het begin van de middag gelegen. Ze schuifelde verder. Wo, zei ze nu, zachtjes nog steeds. Wo, wo.

Post

Met een grote tas loop ik de OBA binnen, de centrale bibliotheek in Amsterdam. Ik vraag waar ik post kan bezorgen. De portier gebaart en zegt: achter! Ik vraag waar achter is. Om het gebouw heen! Weer op de fiets, ik vind de achteringang. Daar tref ik de portier, hij komt buurten bij de postkamer. Huh?, zeg ik, en ik overhandig hem een envelop. O, is het er maar één, zegt hij, dan had je die toch aan mij kunnen geven!

Asshole

De wind stak op en ik verhuisde van het terras naar binnen. Door het raam keek ik op de telefoon van een spichtig meisje dat me buiten niet was opgevallen. YOU FUCKING ASSHOLE!!!, schreef ze net. Ik vroeg me af wat je gedaan moet hebben om zoiets op je afgevuurd te krijgen. Misschien lag het ook wel aan haar. DON’T YOU BLAME ME!!!!! Hoe dan ook, ik moest me ernstig inhouden om niet op te staan, m’n hoofd naar buiten te steken en te vragen of het wat zachter kon.

Augurken

Lekker die augurken van Kesbeke, maar ik las laatst dat er sacharose in zit. Dat zei ik tegen een vrouw met kind achter me in de rij. Waarom niet gewoon suiker?, zei ze. Ja, zei ik, puur natuur! Op de terugweg vroeg ik me af of het sacharine had moeten zijn. Alsof ik ook maar iets van scheikunde weet. Thuis zocht ik het op. Sacharine werd in 1879 ontdekt toen een chemicus per ongelijk aan zijn vingers likte na een experiment met koolteer. Sacharose is gewoon suiker. Het was bij nader inzien werkelijk een prachtig gesprek.

Doosje

Er zijn doosjes waaruit een armpje verschijnt als je de schakelaar omhaalt. Het armpje doet de schakelaar uit en het doosje gaat dicht. Ik zou zo’n doosje willen maken. Leren solderen, houtbewerken, de finesses van de hydraulica. Jarenlang daarmee bezig zijn. Een zinloos bestaan. Kunst.

Manoel

Manoel de Oliveira, ik had nog nooit van hem gehoord. In Porto vind ik zijn naam bij een grafhuisje. Cineasta, Pilotto de automovéis e Atleta, honderdzeven jaar oud geworden, of honderdzes. Twee weken later noemt een vriend die ik vijf jaar niet heb gezien hem als we het hebben over de architect Oscar Niemeyer, ook zo oud. Het maakt me niet uit of dat toeval is of niet. Het heeft betekenis, omdat ik dat wil.

Muscles

Bij het Museumplein zag ik een ongeluk gebeuren. Een auto met een Amerikaans kenteken draaide net iets te ver de trambaan op, een tram in volle vaart schampte hem met de schuine kant van zijn neus. Ik stopte bij het open raam van de bijrijder en zag een man en een vrouw. Zij zat verstijfd in haar stoel, hij liet zijn hoofd zakken op het stuur. Gehuil van onzichtbare kinderen achterin. Are you okay?, vroeg ik. De vrouw begon te huilen. Did we do something wrong?, snikte ze. Ik betrapte mezelf erop dat ik iets wilde zeggen dat alles goed zou maken, iets moois en zachts en troostends, iets dat de gebeurtenis in een ander licht zou plaatsen en dat ze zich altijd zouden blijven herinneren. Iemand duwde me zachtjes opzij, een mollige vrouw in een vormeloze roze jas. Ze boog zich door het raampje en zei: GO HOME AND TAKE A HOT SHOWER, IT RELAXES THE MUSCLES!

Verhalen

We zijn de verhalen die we onszelf vertellen, zeggen ze, maar dat ‘onszelf’ zit me dwars, het idee dat we een middelpunt zouden hebben. We kijken naar de opwolkende kleuren op een EEG en zeggen: dat ben ik als ik chocola eet, maar ik ben niet die kleuren, ik zit dieper, ik geniet buiten beeld. Dat is het meest zalvende verhaal van allemaal. We zijn alleen verhalen en er is niemand om te luisteren.

Tip

Vertel mensen iets over je leven en ze beginnen over zichzelf. Vertel ze iets over Antwerpen en ze weten iets over Gent. Mensen met vragen zijn schaars. Toegeven dat je iets niet weet maakt kwetsbaar. Wil je ook eens aan het woord blijven, uit verveling bijvoorbeeld, vertel dan een verhaal zonder aanknopingspunten.

Te veel

Er wordt te veel geschreven. Boekhandels zijn een mokerslag. Wat heeft het voor zin om nog iets toe te voegen? En dan daar rondlopen en werkelijk niets kunnen vinden dat je boeit. Steeds triester verlangen naar dat ene mooie kleine boekje dat alles zegt en niet bestaat. Weten dat je het zelf niet zal kunnen schrijven. En je afvragen: die homo universalissen van vroeger, wisten die ook alle onzin tot dan toe?

Toeval

Dus ik vertelde dat ik die middag twee meisjes had gezien, de een op de fiets, de ander een kapperszaak verlatend, allebei aan het bellen, en hoe de schrik van een naderend ongeluk in de nauwe steeg was overgegaan in opluchting, en die opluchting weer in hilariteit toen ze elkaar herkenden, natuurlijk, ze waren elkaar aan het bellen, en dat was precies hoe iedereen aan tafel reageerde: natuurlijk, ze waren elkaar aan het bellen, en zo leerde ik dat toeval te weinig is voor een verhaal.

Ina Boudier-Bakker

De vrouw vertelt dat ze op haar werk van de aardige mensen op de boekenredactie alle boeken mag pakken die ze wil. Ik krimp ineen van alle pulp die ze aanprijst, twintig jaar boekenbijlagen zitten me dwars. Haar vriendin is een beter publiek. De schrijvers en titels fladderen haar ongeletterde hoofd binnen zonder ergens te landen. Ken jij, zegt ze op haar beurt, Ina Boudier-Bakker, De klop op de deur? Ha, ja, wil ik zeggen, een damesroman uit 1930. Menno ter Braak besteedde er drie woorden aan: ‘Niet open doen’. Ik wil het ze zeggen, deze vervelende vrouwen die op het agressieve af liever praten dan luisteren, maar wat bereik je daarmee behalve dat je jezelf voor schut zet. En bovendien, ik heb het ook maar net gegoogeld.

Even Rus

Mijn Russisch is karig en onzeker. Tot aan het Baikalmeer kreeg ik de dingen die ik wilde, maar ik herinner me vooral broddelwerk, handen en voeten. Aan het tafeltje naast me hoor ik ineens die prachtige taal. Op het tafeltje ligt een menu. Die zin kan ik maken, bedenk ik. Ik richt me tot de vrouw die het dichtst bij me zit. Alstublieft, zegt ze, en ze geeft me het menu dat ik niet nodig heb. Gretig verdiep ik me erin. Ik voel hoe ze me nog even opneemt. Mijn hart bonst. Laat haar niet nog iets zeggen of vragen nu.

Zeer discreet

Hij zit buiten op een bankje. Hij kan het café niet in, zegt hij, want z’n ex zit aan de bar, en ze hebben afgesproken om elkaar een jaar niet te zien. Het is meer zijn kroeg dan de hare, maar zij was eerst, dus mag zij blijven zitten, dat is de deal. Binnen bestelt zij twee biertjes. Haar vriendin is even naar de wc. Ik had net zoiets geks, zegt ze. Ha, ja, zeg ik, ik hoor ’t net! Waarom vertelt hij jou dat?, zegt ze ontsteld.

In de lucht

Ze hebben dat nette van zuid-Duitsers, dat charmante en ook wel enge: alles zo corréct, zo verbéten. Ze bestellen een drankje en je let er verder niet op. Dan hoor je hem zijn stem verheffen, en haar de hare samenknijpen. Je kijkt op. Hij haalt uit. Slaat niet haar maar in de lucht. Twee keer. Pam. Pam. Zijn tanden op elkaar. De onmacht van een man die weet dat je vrouwen niet mag slaan. Je twijfelt. Dit kan haast niet serieus zijn. Maar even later is zij toch echt verdwenen. Hij vraagt de rekening. Het is een ploert, maar toch lach je naar hem.

Zij daar

Ze zit achterovergeleund, maar gespannen, als een biddende cobra. Hij kent haar langer dan vandaag, zijn angst zit in zijn vezels. Vooral geen onverhoedse bewegingen. Hij beweert niets, hij oppert hoogstens. Als hij naar de wc gaat trekt hij zich langzaam terug, zonder haar uit het oog te verliezen. Zij vraagt de rekening. Zevenenvijftig half, zegt de ober. Zestig, zegt ze, en ze pint. Als hij terugkomt, houdt ze haar hand op. Hij legt er biljetten in. Tien, twintig, dertig. Niet genoeg, knikt ze. Veertig. Ze telt het geld, vinnig, en kijkt alsof ze belazerd wordt.